Open: ma. avond, di.–vr. middag & avond
0477 513 888 · info@hettommegoed.be
Beschermde hoeve

De Heerlijkheid “Tomme”

Een historische plek die teruggaat op een middeleeuws schaapgoed en eeuwenlang mee het landschap rond Tielt bepaalde.

Beschermde hoeve uit het Belgisch erfgoed

De voorheen omwalde hoeve gaat naar verluidt terug op een middeleeuws schaapgoed met dreef, in bezit van de heren van “Tomme”. De heerlijkheid “Tomme” wordt voor het eerst vermeld in 1365 en situeert zich in het noordoostelijk deel van Tielt-buiten en op het grondgebied van Schuiferskapelle, Kanegem en Ruiselede. De heerlijkheid bezit o.m. hoge, middelbare en lagere justitie, jachtrente, een schepenbank van zeven schepen, verscheidene heerlijke renten, het recht van “doodkoop” en tal van acherlenen. Het vormt tevens een enclave samen met de lenen “Haeghe”, “Callesteert” en het “Roosebeekse”. Behalve deze grote hoeve bezitten de heren tevens een gelijknamige kouter, bos en een graanwindmolen op het domein van de tweede hoeve, “Klein Tomme”.

Wouter van Poeke wordt in de 14de eeuw heer van Tomme. De machtige heren van Poeke blijven elkaar van vader op zoon opvolgen tot Jan III van Poeke in 1563 sterft. Door erfenis is François Gabriel de Jauche-Mastaing eigenaar tot zijn overlijden in 1577. Erna verheft Charles van Bourgogne het leen in 1601 waardoor het burggenootschap in handen komt van de familie Wakken-de Bourgogne tot 1707. Vermoedelijk door erfenismoeilijkheden komt het leen opnieuw in handen van de graaf van Vlaanderen, waarvan de Gentse priester Emmanuel-Carolus Maelcamp het koopt en schenkt aan zijn broer Charles-Aloïsius Maelcamp.

Het “goed ten Tomme” wordt voor het eerst vermeld in 1439. In het eerste landboek van Tielt-buiten van 1645 maakt men melding van de “Tommedreve” en de “Tommemolen”, een graanwindmolen met rosmolen die in de loop van de 20ste eeuw wordt afgebroken; tevens gelijknamige wijk en “cerc”.

In het leenboek van Kortrijk van 1649 beschrijft men de hoeve als een “behuijst pachtgoet”. Sinds 1643 wordt de hoeve bewoond door de gekende familie Loontjens, met als eerste Jan Loontjens, schepen der heerlijkheid van Tomme, gehuwd met Joanna Van Crombrugge. Na de dood van zijn kleinzoon Guilielmus in 1764 wordt het hof verpacht aan enkele afstammelingen.

De Ferrariskaart (1770–1778) vermeldt het “Thomme Goet” en geeft bebouwing weer aan de noord-, oost- en westzijde van het erf, met restant van walgracht ten zuidoosten. In 1827 wordt een wagenhuis aan de oostzijde van het erf gebouwd. Het primitief kadasterplan toont aaneengesloten bebouwing aan de noordzijde van het erf, het woonhuis met achterliggend bijgebouw aan de zuidzijde en een klein bijgebouw aan de oostzijde; ten zuidoosten ligt de resterende walgracht.

In het begin van de 19de eeuw wordt de hoeve bewoond door de aangetrouwde familie Van Wambeke. Het kadaster registreert ca. 1830 Deseridus Maelcamp uit Doornik als eigenaar van zowel “Groot Tomme” als “Klein Tomme”. Via verdeling komt het goed in de tweede helft van de 19de eeuw in handen van de Doornikse familie Errembault-du Maisnil die eigenaar blijft tot in de 20ste eeuw, dan met vestiging in Etterbeek.

In de tweede helft van de 19de eeuw worden nieuwe bijgebouwen opgetrokken, o.m. een nieuw bakhuis na sloop van het bestaande (1869), een schuur aan de noordwestzijde (1882) en een kleine stal ten westen van het woonhuis (1887). Ca. 1902 wordt een lid van de familie Loontjens opnieuw pachter, m.n. Urbain Loontjens.